01-05-2013

Tips voor kinderboerderijen ter overleving

Het is vijf voor twaalf voor veel kinderboerderijen, stelt het Vakblad Kinderboerderijen. Dit terwijl de kinderboerderij om de hoek voor velen zo vanzelfsprekend is. Maar, stelt het vakblad, de branche zit op groen goud. Tips om hier iets mee te doen.
 
Alleen al het aantal jaarlijkse bezoeken per boerderij; gemiddeld 55.000, spreekt boekdelen. Met de 462 kinderboerderijen die ons land rijk is, komt dat neer op een jaarlijks aantal bezoeken van 25,4 miljoen. Deze gegevens zijn afkomstig uit een artikel in het Vakblad Kinderboerderijen (nummer 3, augustus 2012 – zie download ‘Kinderboerderij in cijfers – De branche kinderboerderijen in beeld’).

Bedreigingen

In hetzelfde vakblad, één editie later (nummer 4, december 2012- zie download ‘Het groene goud moet beter en anders worden aangewend’) wordt duidelijk dat er werk aan de winkel is om de statistieken positief te blijven spekken. ‘Stijgende kosten’, ‘teruglopende subsidie-inkomsten’, ‘geringe organisatorische capaciteit’: ontwikkelingen die de vanzelfsprekendheid van een kinderboerderij om de hoek in gevaar brengen.

In het vakbladartikel staan de hoofdlijnen uit een quick scan/onderzoek door adviesbureau Blauwe Noordzee in samenwerking met Diereninfo op verzoek van Fonds 1818. Het onderzoek had als centrale vraag: ‘Op welke wijze kunnen de kinderboerderijen hun activiteiten verduurzamen en hierbij inspelen op kansen enerzijds en goed omgaan met bedreigingen anderzijds?’.

Kansen

Een van de acties die moet worden ondernomen, zo is tussen de regels door te lezen, is om de boerderij zelfvoorzienend te maken. Daarvoor is volgens de schrijvers van het artikel voldoende potentie. ‘Het groene goud moet beter en anders worden aangewend’. Verder: ‘tot een sociale onderneming ontwikkelen’,  ‘nadrukkelijker inspelen op de behoefte en vraag van stakeholders’ (belangenhebbers),  ‘aanbod vermarkten en verkopen’, ‘inspelen op ontwikkelingen, zoals eerlijke voeding en streekproducten’, iets doen aan het ‘imago’ (kneuterig en stoffig).

Benadrukt wordt de waarde van het ‘product’: mini-boerderijen in een stedelijke omgeving/woonkern, substantieel bereik en ‘ijzersterk’ merk (iedereen kent de term).

Sociaal ondernemerschap

Om de slag naar sociaal ondernemerschap te kunnen maken (waar nu vooral de ‘non-profit’ cultuur heerst), wordt geadviseerd om ‘strategische helderheid’ te geven: ‘formuleer een algemene en eenduidige missie op zo’n manier dat deze de visionaire doelen voor de toekomst uitdraagt en dat stakeholders worden geïnspireerd om samen te werken of te investeren’. Verder wordt geadviseerd na te denken over wat er verbeterd moet worden qua: aanbod, marketing en communicatie, financiën (kosten en inkomstenwerving) en organisatie.

Voor de slag naar sociaal ondernemerschap kan het nodig zijn tijdelijk een kwartiermaker aan te stellen, als zijnde een aanjager om de kinderboerderij naar een hoger plan te tillen.

Overige aanbevelingen

Verder wordt geadviseerd de locaties beter uit te nutten, zowel qua financiën als missie. Een suggestie is: zowel inhoudelijk (educatie op hoger plan tillen) als kwantitatief meer aanbieden. Denk bij dat laatste aan: verkoop versnaperingen en het lanceren van een label diervoeder voor huisdieren. Suggesties voor kostenbesparing zijn: gemeenschappelijk inkoop diervoeders, investeer in moderner vrijwilligersmodel en maak medewerkers door middel van een pool multi-inzetbaar.

Verder wordt aanbevolen om in te zetten op relatieontwikkeling. Veel ‘impacts’ van de kinderboerderij zijn van belang voor financiers (zoals sponsors en fondsen). Hiermee kunnen zij hun doelen, denk aan participatie en integratie, realiseren. Tot slot moet worden nagedacht over rechtsvorm: door de kinderboerderij onder te brengen in een beheersstichting of vriendenstichting kan mogelijk wel aanspraak worden gemaakt op gelden van fondsen en sponsors.

Cijfers

De meest voorkomende beheersvorm -41% is zo opgezet- is de stichting, zo blijkt uit een eerdere publicatie in het vakblad (zie download ‘Kinderboerderij in cijfers’). De daarop meest voorkomende vormen zijn zorginstelling (25%), gemeentelijk (21%), recreatie-instelling (6%), vereniging (3%), onderwijsinstelling (2%) en particulier en overig (beide 1%). Alle kinderboerderijen samen stellen zo’n 2000 werknemers tewerk (fulltime/parttime), 1800 cliënten en bijna 6400 vrijwilligers.

De meeste -33% van de- kinderboerderijen bevinden zich midden in een stad of dorp. In alle kinderboerderijen zijn geiten, konijnen en andere knaagdieren terug te vinden. Daarna zijn schapen populair: op 98% van de boerderijen terug te vinden, gevolgd door (sier)hoenders (op 96% van de plaatsen) en varkens. Opvallend is dat, ten opzichte van 2005, het aantal boerderijen met varkens een vlucht heeft genomen: 61% versus 81%. Ook het percentage kinderboerderijen waarop runderen worden gehouden, is toegenomen; van 42% naar 69%. Het aantal kinderboerderijen met paarden is afgenomen (72% versus 65%).